Zoeken

De geschiedenis van lichttherapie: van zonnetempels tot LED en rood licht

De geschiedenis van lichttherapie wordt online meestal in drie regels afgedaan: de oude Egyptenaren deden iets met de zon, Niels Finsen won een Nobelprijs, en toen kwam NASA met LED’s. Dat is niet onwaar, maar het slaat ruim tweeduizend jaar over. Tussen de zonnetempel en de rood-lichtlamp liggen kleurentherapie, gloeilichtbaden, alpine sanatoria, een blauwglasrage, een strafproces, een couveuse in Essex en een Hongaarse chirurg die dacht dat hij kanker aan het veroorzaken was.

Dit artikel probeert die lijn compleet te trekken — inclusief de vormen die tegenwoordig als kwakzalverij gelden en de vormen die stilletjes standaardgeneeskunde zijn geworden. Waar mogelijk verwijzen we naar de primaire bronnen: de boeken zelf, de originele publicaties en de archieven waarin ze gescand staan.

Waarom deze geschiedenis meestal half wordt verteld

Er zijn drie redenen waarom de meeste overzichten gaten vertonen.

  • De bronnen zijn boeken, geen artikelen. De kern van de negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse lichttherapie staat in monografieën die nooit in PubMed terecht zijn gekomen. Wie alleen in wetenschappelijke databases zoekt, mist Kellogg, Babbitt, Pancoast, Cleaves en Rollier volledig.
  • Een deel van het verleden is genant. Kleurentherapie is uitgegroeid tot een schoolvoorbeeld van pseudowetenschap. Auteurs die serieus genomen willen worden laten dat hoofdstuk daarom weg — terwijl juist daar het meeste te leren valt over hoe lichttherapie zichzelf herhaaldelijk in de voet heeft geschoten.
  • De disciplines praten niet met elkaar. Dermatologie, neonatologie, psychiatrie, fysiotherapie en ruimtevaartonderzoek hebben elk hun eigen lichtgeschiedenis geschreven, met eigen jaartallen en eigen helden. Ze verwijzen zelden naar elkaar, terwijl het over hetzelfde natuurkundige verschijnsel gaat.

1. De oudheid: licht als medicijn, lang voor de fysica

Egypte en de Ebers-papyrus

De oudste gedocumenteerde lichtbehandeling is geen zonnebad maar een fotochemische behandeling. De Ebers-papyrus (circa 1550 v.Chr.), met ongeveer twintig meter het omvangrijkste bewaard gebleven document van de Egyptische geneeskunde, beschrijft de behandeling van witte huidvlekken — vrijwel zeker vitiligo, destijds verward met lepra. De methode: een aftreksel van een plant die langs de Nijl groeide, gevolgd door blootstelling aan de zon.

Die plant was Ammi majus, in het Nederlands akkerscherm of bisschopskruid. Hij bevat psoralenen: moleculen die onder ultraviolet licht reageren met DNA in de huid. Het Egyptische recept is daarmee, ruim drieënhalf millennium voor de uitvinding van het woord, een primitieve vorm van fotochemotherapie.

Fragment van de Ebers-papyrus, het Egyptische medische document uit circa 1550 v.Chr.
De Ebers-papyrus (ca. 1550 v.Chr.), het omvangrijkste bewaard gebleven document van de Egyptische geneeskunde. Publiek domein.

India: de Atharva-Veda

Onafhankelijk van Egypte beschrijft de Atharva-Veda in India een vrijwel identieke behandeling voor leukoderma: het innemen van zaden van de bavachi-plant (Psoralea corylifolia), gevolgd door zonlicht. Ook deze plant bevat psoralenen. Twee beschavingen kwamen dus los van elkaar uit op dezelfde combinatie van een fotosensitiserende stof en zonlicht — het principe waarop de moderne PUVA-therapie nog steeds draait.

Griekenland en Rome: heliosis en het solarium

Herodotus wordt vaak de vader van de heliotherapie genoemd. In zijn Historiën (circa 525 v.Chr.) beschrijft hij een observatie op een oud slagveld: de schedels van de Egyptenaren waren opvallend hard, die van de Perzen broos. Zijn verklaring was dat Egyptenaren hun hoofd kaalschoren en levenslang in de zon liepen, terwijl Perzen tulbanden droegen. Het is de eerste bekende poging om botkwaliteit aan zonlicht te koppelen — een gok die pas in de twintigste eeuw, via vitamine D, gedeeltelijk bevestigd zou worden.

Hippocrates schreef zonnebaden voor; de Griekse geneeskunde kende heliosis als behandelvorm. De Romeinen bouwden het in de architectuur in: het solarium was een op de zon georiënteerde ruimte in villa’s en badhuizen, bedoeld voor precies dit doel. Ook in het oude China bestond een kleurbehandeling waarbij zonlicht door gekleurd papier op patiënten werd geleid.

De Arabische overlevering

De kennis raakte in Europa grotendeels zoek, maar bleef in de Arabische geneeskunde bewaard. Rond 1100 beschrijft Ibn al-Bitar in Mofradat El-Adwiya opnieuw een middel tegen vitiligo op basis van Ammi majus, ingenomen en gevolgd door zonlicht. Diezelfde traditie leidde in 1948 tot de klinische herontdekking door de Egyptische dermatoloog A.M. El-Mofty, die de behandeling met Ammi majus weer in een medisch tijdschrift beschreef — de directe brug naar de moderne PUVA.

2. 1855–1890: heliotherapie wordt een beweging

De negentiende-eeuwse natuurgeneeskunde haalde de zon terug. De Zwitser Arnold Rikli opende in 1855 in Veldes (het huidige Bled, Slovenië) een kuuroord gebaseerd op lucht-, water- en zonnebaden. Rikli is de bedenker van de Lichtluftbad: het idee dat de huid rechtstreeks aan lucht en licht blootgesteld moest worden, niet alleen door een raam.

Dat was ideologie. In 1877 kwam het bewijs. De Britse arts Arthur Downes en de chemicus Thomas Blunt publiceerden in de Proceedings of the Royal Society of London hun observatie dat bacteriecultures die aan zonlicht werden blootgesteld helder bleven, terwijl identieke cultures in de schaduw troebel werden. Ze toonden bovendien aan dat het effect afhing van intensiteit, duur én golflengte, en dat de kortgolvige kant van het spectrum het effectiefst was.

Dit is het scharnierpunt van de hele geschiedenis. Vanaf dat moment was zonlicht niet langer een aangenaam gebruik maar een aantoonbaar biologisch werkzame factor. Charles-Édouard Duclaux bevestigde het in 1885, H. Marshall Ward legde in de jaren negentig het effect specifiek bij ultraviolet en violet-blauw licht.

In 1890 legde de zendingsarts Theobald Palm het verband tussen rachitis (Engelse ziekte) en gebrek aan zonlicht — hij had opgemerkt dat de aandoening in het zonnige, arme Japan nauwelijks voorkwam en in het bewolkte, industriële Groot-Brittannië epidemisch was. Palm pleitte voor zonnebaden als routinemaatregel, dertig jaar voordat iemand wist waarom dat zou werken.

3. 1876–1878: de kleurentherapie ontstaat in een druivenkas

Terwijl Downes en Blunt bacteriën telden, gebeurde er in Philadelphia iets heel anders. Augustus Pleasonton, gepensioneerd generaal uit de Amerikaanse Burgeroorlog, redeneerde dat planten in de lente floreren en in de winter niet, en dat de lucht in de lente blauwer is. Tussen 1861 en 1876 bouwde hij kassen met afwisselend heldere en blauwe ruiten en claimde spectaculaire opbrengsten aan druiven.

In 1876 publiceerde hij zijn hoofdwerk, The Influence of the Blue Ray of the Sunlight and of the Blue Colour of the Sky — berucht omdat het op blauw papier met blauwe inkt gedrukt werd. Het boek breidde de claim uit van druiven naar vee en vervolgens naar menselijke ziekten. Het resultaat was de “blue-glass craze”: een korte, hevige rage waarin Amerikanen blauwe ruiten kochten om onder te zitten.

Twee auteurs bouwden er direct op voort en vormen samen het fundament van de moderne chromotherapie:

  • Seth Pancoast, Blue and Red Light; or, Light and Its Rays as Medicine (1877). Pancoast beperkte zich tot twee kleuren: blauw als kalmerend, rood als stimulerend. Hij waarschuwde in zijn voorwoord tegen “lichtkwakzalvers” en beschreef vervolgens genezingen die geen enkele toets zouden doorstaan — een verlamde jongen die na een week onder rood glas weer liep, een vrouw met ischias die na drie zittingen in blauw licht hersteld was. Historici omschrijven het boek als een mengeling van kleurtherapie, mystiek en kabbalisme.
  • Edwin Dwight Babbitt, The Principles of Light and Color (1878). Zeshonderd pagina’s, waarvan de eerste hoofdstukken een verrassend nuchtere inleiding in kleurenleer vormen. Daarna slaat het om in een kosmische harmonieleer en honderden pagina’s kleurentherapeutische casuïstiek. Babbitt bedacht de “Chromo Disk” en het idee van door gekleurd glas “opgeladen” water. Zijn boek werd het meest geciteerde werk van de negentiende-eeuwse kleurentherapie.

Het is verleidelijk om dit als randverschijnsel weg te zetten, maar kleurentherapie was in deze periode wijdverbreid en werd ook binnen de gevestigde geneeskunde toegepast. In het Parijse Salpêtrière-ziekenhuis liet Charles Féré de ruiten van patiëntenkamers violet kleuren; in de Eerste Wereldoorlog werden soldaten met shellshock in gekleurde zalen geplaatst.

Kleurenplaat uit The Principles of Light and Color van Edwin Dwight Babbitt, 1878
Plaat uit Edwin D. Babbitt, The Principles of Light and Color (New York, 1878) – het meest geciteerde werk van de negentiende-eeuwse kleurentherapie. Publiek domein.

Ghadiali en de Spectro-Chrome

De kleurentherapie bereikte haar hoogtepunt en haar ondergang in één persoon: Dinshah P. Ghadiali (1873–1966), in Bombay geboren en naar de Verenigde Staten geëmigreerd. In 1920 introduceerde hij de Spectro-Chrome: een lampkast met gekleurde glasfilters, met een compleet systeem waarin elke kleur aan organen en aandoeningen werd gekoppeld. In 1933 verscheen zijn Spectro-Chrome Metry Encyclopedia.

Ghadiali trainde meer dan honderd cursisten en had prominente medestanders — onder wie Kate W. Baldwin, chirurg aan het Women’s Hospital in Philadelphia, die de methode bij ernstige brandwonden inzette. Vanaf 1924 voerde de American Medical Association een langlopende campagne tegen hem. Een proces in 1931 won hij nog. Na de Food, Drug and Cosmetic Act van 1938 kreeg de FDA veel meer bevoegdheden, en in 1947 werd hij veroordeeld wegens misleidende etikettering: zijn apparaten en publicaties werden vernietigd, hij kreeg vijf jaar proeftijd en moest zijn instituut sluiten. In 1958 volgde een permanent verbod op verzending over staatsgrenzen.

Wat er precies gebeurde, hangt sterk af van wie het vertelt. Voor de een is het een leerboekvoorbeeld van terecht optreden tegen kwakzalverij; voor de ander een verhaal over onderdrukking. Wat feitelijk vaststaat is dat de zaak de term “kleurentherapie” voor decennia onbruikbaar maakte in een medische context — met als bijeffect dat serieus onderzoek naar de biologische effecten van specifieke golflengten in het zichtbare spectrum ook lang verdacht bleef.

4. Niels Finsen: lichttherapie wordt wetenschap

Niels Ryberg Finsen (1860–1904), geboren op de Faeröer en werkzaam in Kopenhagen, maakte van lichttherapie een medische discipline. Zijn eigen chronische ziekte — later geduid als de ziekte van Niemann-Pick — maakte hem zwak en vermoeid, en hij merkte dat licht hem energieker maakte. Dat werd zijn onderzoeksvraag.

Portret van Niels Ryberg Finsen, grondlegger van de moderne fototherapie
Niels Ryberg Finsen (1860-1904). Portret door Wentoft. Publiek domein.

1893: de rode kamer

Finsen stuitte op een verslag van een Amerikaanse arts dat pokkenpatiënten die door oorlogsomstandigheden ondergronds moesten schuilen sneller herstelden en minder littekens overhielden. Hij vermoedde dat de “chemische stralen” — het violette en ultraviolette deel van het spectrum — de puistvorming en littekening verergerden. Tijdens een pokkenuitbraak in Noorwegen testte hij het: patiënten werden verpleegd in kamers waar alleen rood licht binnenkwam, met het korte golflengtegebied weggefilterd. Hij rapporteerde minder etterende blaasjes en minder pokdalen.

Dit is historisch opmerkelijk: de eerste systematische klinische toepassing van rood licht in de moderne geneeskunde was een afschermende toepassing. Rood werd niet gekozen om iets te doen, maar om iets níet te doen. Finsen zelf beschouwde zowel de pokkenbehandeling als de latere lupusbehandeling als zijzijsporen van zijn eigenlijke doel.

1895: lupus vulgaris en de Finsen-lamp

Geïnspireerd door Downes en Blunt redeneerde Finsen dat als licht bacteriën doodt in een reageerbuis, het dat mogelijk ook in weefsel kan. Lupus vulgaris — huidtuberculose, een verminkende en destijds vrijwel onbehandelbare aandoening van gezicht en hals — was de testcase. Hij begon met geconcentreerd zonlicht en ontwikkelde daarna een lamp op basis van elektrische koolbooglampen, met een lenzensysteem dat de bundel op de laesie concentreerde. Cruciaal detail: gewoon glas absorbeert ultraviolet, dus stapte hij over op kwarts.

De resultaten waren voor die tijd spectaculair. In 1896 werd in Kopenhagen het Medisch Lichtinstituut opgericht, later het Finsen Instituut. Binnen enkele jaren volgden ongeveer veertig Finsen-instituten in Europa en de Verenigde Staten. In 1903 kreeg Finsen de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde. Hij was te ziek om de ceremonie bij te wonen en schonk een groot deel van het prijzengeld terug aan het instituut. Hij stierf in 1904, 43 jaar oud.

Behandeling met een Finsen-lamp in Londen, 1925
Behandeling met een Finsen-lamp, Londen 1925. Ruim twintig jaar na Finsens dood stond het toestel nog in Europese ziekenhuizen. Publiek domein.

Zijn boek Phototherapy verscheen in 1901 in Engelse vertaling van James H. Sequeira en is het eerste medische standaardwerk over het onderwerp.

5. John Harvey Kellogg en het gloeilichtbad

Terwijl Finsen in Kopenhagen ultraviolet concentreerde, ging John Harvey Kellogg (1852–1943) in Battle Creek, Michigan een andere kant op: warmte en zichtbaar licht, over het hele lichaam, met gloeilampen.

Kellogg was directeur van het Battle Creek Sanitarium en — samen met zijn broer — de man achter de cornflakes. Michigan heeft lange, grijze winters, en dat was volgens hemzelf de directe aanleiding: als de zon niet komt, maak je hem zelf. In 1891 bouwde hij het eerste gloeilichtbad, een kast bekleed met gloeilampen waarin de patiënt plaatsnam. In 1896 patenteerde hij het stralingswarmtebad in de Verenigde Staten.

In 1910 verscheen zijn Light Therapeutics: A Practical Manual of Phototherapy for the Student and the Practitioner, with Special Reference to the Incandescent Electric-Light Bath. Dat boek is om drie redenen het belangrijkste ontbrekende puzzelstuk in de meeste online overzichten:

  • Het is de eerste uitgebreide praktische handleiding voor lichttherapie als klinische discipline: apparatuur, blootstellingstijden, dosering, indicaties, contra-indicaties en de combinatie met andere fysiotherapeutische behandelingen.
  • Het behandelt het volledige spectrum — zonlicht, ultraviolet, zichtbaar licht en infrarood — in één samenhangend kader, in plaats van één golflengtegebied te isoleren.
  • Het plaatst zichzelf expliciet in een lange traditie. Kellogg opent met de constatering dat heliotherapie tot de oudste natuurlijke geneesmiddelen behoort, en dat pas in de twintig jaar vóór zijn boek de fysiologische effecten van natuurlijk en kunstmatig licht serieus wetenschappelijk werden onderzocht. Hij wist dus dat hij aan het eind van een lange lijn stond, niet aan het begin.

Het gloeilichtbad werd een commercieel en cultureel succes. Ziekenhuizen installeerden lichtbedden; onder de bekende gebruikers van Battle Creek bevonden zich Thomas Edison en Amelia Earhart. In Duitsland — waar het idee enthousiaster werd omarmd dan in Kelloggs eigen land — werd het apparaat nagebouwd en doorontwikkeld. Kellogg voorspelde in zijn boek dat geen ziekenhuis binnen afzienbare tijd nog als volwaardig uitgerust zou gelden zonder complete elektrische lichtapparatuur. Twintig jaar lang leek hij gelijk te krijgen.

Rontgen rays and electro therapeutics with chapters on radium and phototherapy 1910 14571598400
Fototherapie-apparatuur zoals afgebeeld in Rontgen Rays and Electro-Therapeutics, with Chapters on Radium and Phototherapy (1910) – het jaar waarin ook Kelloggs handleiding verscheen. Publiek domein.

6. De alpine klinieken: Bernhard en Rollier

Op 2 februari 1902 werd in het ziekenhuis van Samedan in het Zwitserse Engadin een zwaargewonde man binnengebracht met steekwonden in borst en buik. Oskar Bernhard moest de milt verwijderen; acht dagen later brak de operatiewond open en bleek niet meer te hechten. Bernhard legde de wond bloot in de felle hooggebergtezon. De genezing die volgde bracht hem ertoe zonlicht systematisch te gaan gebruiken, eerst bij wonden en later bij chirurgische tuberculose. Hij vestigde zijn praktijk in St. Moritz.

Bernhards observatie zette Auguste Rollier (1874–1954) op hetzelfde spoor. Rollier, opgeleid onder Nobelprijswinnaar Emil Theodor Kocher, opende in 1903 in Leysin de eerste kliniek die specifiek was ingericht voor de zonbehandeling van chirurgische tuberculose — tuberculose van botten, gewrichten en wervelkolom, destijds vooral bij kinderen en adolescenten, en tot dan toe behandeld met verminkende operaties.

Rollier is om methodologische redenen belangrijk. Hij werkte met een strikt opbouwschema: blootstelling begon bij de voeten, met enkele minuten, en werd over dagen uitgebreid over het lichaam. Verbranding gold als een behandelfout, niet als bijwerking. Hij combineerde zonlicht met koude berglucht, rust, beweging en voeding, en behandelde volgens eigen zeggen de malade tout entier — de hele patiënt. Zijn architectuur werd erop ontworpen: brede zonneterrassen, verplaatsbare bedden, oriëntatie op de zonnestand.

De schaal was aanzienlijk. Rollier beoefende de behandeling ruim veertig jaar en beheerde uiteindelijk zesendertig klinieken in Leysin met meer dan duizend bedden samen. Zijn boek Heliotherapy (1923) werd internationaal het standaardwerk. Hij benadrukte overigens zelf dat heliotherapie geen specifiek middel tégen tuberculose was, maar een krachtige ondersteunende behandeling.

7. Rachitis, vitamine D en de kunstmatige hoogtezon

De grootste harde overwinning van de lichttherapie kwam uit Berlijn. In 1919 publiceerde Kurt Huldschinsky Heilung von Rachitis durch künstliche Höhensonne: kinderen met rachitis werden drie keer per week een uur bestraald met een kwiklampen- of koolbooglamp. Röntgenfoto’s toonden duidelijke mineralisatie van het skelet, vooral aan de uiteinden van de pijpbeenderen. Een niet-bestraalde controlegroep verbeterde niet of nauwelijks. Huldschinsky noemde ultraviolette straling een onfeilbaar middel tegen alle vormen van rachitis bij kinderen.

In 1921 bevestigden Alfred Hess en Lester Unger het met gewoon zonlicht bij zeven kinderen in New York. In 1924 toonden Hess en Weinstock, en onafhankelijk Harry Steenbock, aan dat je hetzelfde effect kon overdragen door voedsel te bestralen — de basis voor de vitamine D-verrijking van melk, en het begin van het einde van rachitis als volksziekte.

Ondertussen was de techniek beschikbaar gekomen. Kwartsglas verdraagt de hoge temperatuur van een kwikdampboog en laat ultraviolet door — Heraeus en AEG richtten daarvoor in 1906 samen de Quarzlampengesellschaft op. Daaruit kwam de künstliche Höhensonne, de kunstmatige hoogtezon, die in de Eerste Wereldoorlog werd ingezet bij gewonde soldaten en daarna in vrijwel elk ziekenhuis en veel artsenpraktijken stond. Vanaf de jaren dertig was het in Duitsland een marktleidend product; in de jaren vijftig werd de kleine variant een consumentenartikel, en daarmee de directe voorloper van de zonnebank.

De publieke kant hield gelijke tred. Caleb Saleeby richtte in 1924 in Groot-Brittannië de Sunlight League op en publiceerde Sunlight and Health (1923). Toen The Times in mei 1928 een bijlage van veertig pagina’s onder de titel “Sunlight and Health” uitbracht, was lichttherapie tegelijk medische praktijk, publieke gezondheidscampagne en mode.

8. 1930–1950: de teloorgang

Binnen twee decennia verdween lichttherapie vrijwel volledig uit het medische curriculum. Daar waren goede en minder goede redenen voor.

  • Antibiotica. Vanaf de jaren veertig maakten sulfonamiden en later streptomycine de behandeling van tuberculose en lupus vulgaris sneller, goedkoper en betrouwbaarder. Een kuur van maanden zonnebaden in de Alpen verloor het van een injectie.
  • De vitaminepil. Toen bekend was dat rachitis door vitamine D-gebrek kwam en die stof in voedsel kon worden gestopt, was er geen lamp meer nodig.
  • Overclaiming. De ultravioletlampen werden voor van alles aangeprezen. Hoe breder de indicatielijst, hoe minder geloofwaardig het geheel.
  • Kleurentherapie sleepte de rest mee. De processen tegen Ghadiali kregen brede pers. In het publieke beeld schoof “licht als medicijn” op richting kwakzalverij.
  • Huidkanker. Vanaf de tweede helft van de eeuw werd het verband tussen ultraviolette straling en huidkanker onontkoombaar. De boodschap over zonlicht draaide om van “meer” naar “bescherm je”.

Wat verdween was niet de werkzaamheid maar de discipline. Er is nauwelijks lichttherapieonderzoek dat tussen 1935 en 1955 werd weerlegd; het werd simpelweg niet meer gedaan.

9. 1956: de terugkeer begint op een couveuseafdeling

De comeback kwam uit onverwachte hoek en dankzij iemand wier naam niet in de publicatie staat.

Zuster Jean Ward leidde de prematurenafdeling van Rochford General Hospital in Essex. De afdeling lag rond een binnenplaats en zuster Ward had de ouderwetse overtuiging dat frisse lucht en zon haar patiëntjes goed deden. Als er geen arts in de buurt was om bezwaar te maken, reed ze de couveusekinderen naar buiten.

In de zomer van 1956 zag de artsenvisite een geel kind met één scherp afgebakende driehoek huid die veel geler was dan de rest — precies het stuk dat onder de deken had gelegen. Op de vraag hoe dat kwam, legde zuster Ward uit dat het kind in de zon had gelegen. Kort daarna viel het lab op dat een bloedmonster dat per ongeluk in de zon had gestaan groen was verkleurd en een veel lager bilirubinegehalte had dan verwacht.

Richard Cremer, arts-assistent onder kinderarts R.H. Dobbs, en biochemicus P.W. Perryman werkten dit uit. Ze bouwden een apparaat van acht fluorescentiebuizen van 40 watt in lichtblauw, en publiceerden in mei 1958 in The Lancet “Influence of light on the hyperbilirubinaemia of infants”. Zuster Ward stond niet bij de auteurs; Cremer illustreerde zijn latere memoires wel met een foto van haar in plaats van van zijn apparaat.

De ontvangst was traag. Artsen in Brazilië, Uruguay, Chili, Italië en Frankrijk pakten het op; de term “fototherapie” werd in september 1960 voor het eerst gebruikt door Ferreira en collega’s, die 77 geelziene zuigelingen behandelden. In de Verenigde Staten duurde het tot 1968 voordat Lucey en collega’s de eerste Amerikaanse studie publiceerden — vermoedelijk simpelweg omdat van de eenentwintig vervolgpublicaties na 1958 er slechts één in het Engels was.

Vandaag is blauwlichtfototherapie voor neonatale geelzucht wereldwijde standaardzorg, toegepast bij naar schatting honderden miljoenen kinderen, tegenwoordig vrijwel uitsluitend met LED’s rond 460–490 nm. Het is daarmee veruit de best gevalideerde lichttherapie die er bestaat — en het bewijst en passant het principe dat de kleurentherapeuten postuleerden en niet konden aantonen: een specifieke golflengte doet in weefsel iets wat een andere golflengte niet doet.

10. 1974: PUVA, oftewel terug bij Ammi majus

In 1974 introduceerden John Parrish en Thomas B. Fitzpatrick aan Harvard de term PUVA: psoraleen plus UVA. Een patiënt neemt een psoraleen in en wordt daarna blootgesteld aan ultraviolet A (320–400 nm) in een geijkte cabine. De indicaties waren psoriasis, vitiligo en later cutaan T-cellymfoom.

Chemisch is dat exact de Egyptische en Vedische behandeling: dezelfde stofklasse, uit dezelfde plantensoorten, gevolgd door dezelfde golflengten — nu alleen met gecontroleerde dosering. De schakel ertussen is de Egyptische dermatoloog A.M. El-Mofty, die in 1948 het traditionele Ammi majus-recept voor het eerst als klinisch verslag publiceerde.

PUVA bracht lichttherapie definitief terug in de dermatologie en maakte de weg vrij voor smalband-UVB, UVA1, extracorporale fotoferese (1987) en fotodynamische therapie. Die laatste heeft zijn eigen oorsprong: in 1900 ontdekte de Duitse student Oskar Raab dat pantoffeldiertjes doodgingen door de combinatie van een kleurstof en licht, terwijl geen van beide alleen dat effect had. Zijn begeleider Hermann von Tappeiner werkte het rond 1903 uit tot het concept van fotodynamische werking.

11. De laser: 1960 en 1967

De theoretische basis legde Albert Einstein in 1917 met zijn beschrijving van gestimuleerde emissie. Charles Townes bouwde in 1954 de maser, en op 16 mei 1960 liet Theodore Maiman bij Hughes Research Laboratories de eerste werkende laser oplichten: een robijnkristal dat rood licht van 694 nm uitzond.

Binnen drie jaar werd de laser onderzocht als vervanger van het scalpel. Paul McGuff toonde in 1963 dat een krachtige laser tumoren in ratten kon vernietigen. En daar begint het beroemdste toeval uit de geschiedenis van deze therapievorm.

Endre Mester (1903–1984), chirurg aan de Semmelweis Universiteit in Boedapest, wilde weten of laserlicht juist kanker zou kúnnen veroorzaken. In 1967 schoor hij de ruggen van muizen kaal, verdeelde ze in twee groepen en bestraalde één groep met een robijnlaser van 694 nm op zeer laag vermogen. Er ontstond geen kanker. Wat wél gebeurde: bij de bestraalde muizen groeide het haar merkbaar sneller terug dan bij de controlegroep. Mester herhaalde het experiment, publiceerde in 1967–1968 en noemde het verschijnsel laserbiostimulatie.

Het cruciale punt is dat hij een niet-thermisch effect beschreef. Het vermogen was te laag om weefsel op te warmen; de biologische reactie kwam voort uit de golflengte en de dosis, niet uit warmte. Mester werkte het uit naar wondgenezing en behandelde later patiënten met slecht helende beenulcera.

Daarna volgde een naamgevingsprobleem dat het veld decennia heeft geschaad. Mester sprak eerst van “low power laser rays”, daarna van biostimulatie. In de literatuur werd het low-level laser therapy (LLLT); in de markt daarnaast cold laser, soft laser, laser biostimulation en nog een handvol termen. Meer dan acht benamingen voor hetzelfde verschijnsel maakten het onmogelijk om de literatuur te overzien, en droegen sterk bij aan de reputatie van vaagheid.

12. Tiina Karu en het mechanisme

Zolang er geen mechanisme was, bleef biostimulatie voor veel onderzoekers ongeloofwaardig — te veel verschillende aandoeningen, te weinig verklaring. De Russische biofysicus Tiina Karu formuleerde vanaf de jaren tachtig de hypothese die dat veranderde: rood en nabij-infrarood licht wordt geabsorbeerd in de mitochondriën, waar het de celstofwisseling beïnvloedt.

De belangrijkste kandidaat-fotoacceptor is cytochroom-c-oxidase, complex IV van de ademhalingsketen. Absorptie in dat enzym zou de elektronentransportketen beïnvloeden, met effecten op ATP-productie, reactieve zuurstofspecies en signaalmoleculen als stikstofmonoxide. Karu merkte zelf op dat het effect op het eerste gezicht ongeloofwaardig en zelfs mysterieus overkwam — precies omdat het zo breed leek te werken.

Dit mechanisme is nog steeds het gangbare werkmodel, al is het niet onbetwist en zijn er aanvullende routes voorgesteld, waaronder lichtgevoelige ionkanalen en effecten op waterstructuur in het celmembraan.

13. NASA en de overstap van laser naar LED

De verschuiving van laser naar LED — de technologische sprong die rood-lichttherapie voor consumenten mogelijk maakte — kwam niet uit de geneeskunde maar uit de tuinbouw in de ruimtevaart.

Ingenieur Ron Ignatius werkte eind jaren tachtig met het Wisconsin Center for Space Automation and Robotics (WCSAR) aan LED-verlichting om planten te laten groeien in gesloten ruimtes zoals de Space Shuttle en het latere ISS. Rood en blauw licht drijven fotosynthese het efficiëntst aan; in 1995 werden op die manier aardappels gekweekt aan boord van de shuttle. De onderliggende techniek, HEALS (High Emissivity Aluminiferous Light-emitting Substrate), stamt uit 1993.

Onderzoekers die veel met die felle LED-panelen werkten, merkten op dat schaafwonden aan hun handen sneller leken te sluiten. Voor NASA sloot dat aan bij een reëel probleem: in gewichtloosheid nemen spier- en botmassa af en helen wonden traag, wat op lange missies missiekritisch wordt.

Ignatius benaderde Harry Whelan, neuroloog aan het Medical College of Wisconsin. Tussen 1995 en 2003 financierde NASA via acht SBIR-contracten — grotendeels vanuit Marshall Space Flight Center — onderzoek naar medische toepassingen van LED’s, uitgevoerd door Quantum Devices, het Medical College of Wisconsin en enkele partners. Daaruit kwamen onder meer studies naar wondgenezing, netvliesbescherming en, in samenwerking met de University of Alabama, klinisch onderzoek naar orale mucositis bij patiënten die chemo- en radiotherapie ondergingen vóór een beenmergtransplantatie. Met aanvullende defensiefinanciering ontwikkelde Quantum Devices de handzame WARP 10 — Warfighter Accelerated Recovery by Photobiomodulation.

Het is belangrijk dit correct te formuleren, omdat het vaak wordt overdreven: NASA heeft rood-lichttherapie niet uitgevonden. Mester was er bijna dertig jaar eerder. Wat NASA-financiering wél deed, was aantonen dat niet-coherente LED’s dezelfde biologische effecten konden oproepen als lasers. Dat haalde het veld weg bij dure, smalle laserbundels en maakte grote panelen, thuisapparaten en klinisch onderzoek op schaal mogelijk.

14. Het parallelle spoor: licht en de biologische klok

Naast het weefselspoor liep vanaf 1980 een tweede lijn die tegenwoordig minstens zo belangrijk is: licht dat niet via de huid maar via het oog werkt, en niet op cellen maar op de klok.

  • 1980 — Alfred Lewy en collega’s tonen in Science aan dat licht bij mensen de melatonineafgifte onderdrukt. Eerdere studies hadden dat niet gevonden omdat ze te weinig lichtintensiteit gebruikten.
  • 1982 — Lewy, Kern, Rosenthal en Wehr behandelen een patiënt met een seizoensgebonden stemmingscyclus met fel kunstlicht.
  • 1984 — Norman Rosenthal en collega’s beschrijven in Archives of General Psychiatry de seizoensgebonden stemmingsstoornis (SAD) als syndroom, met de eerste bevindingen over lichttherapie. Van de 29 beschreven patiënten kregen er elf lichttherapie; allen reageerden binnen drie tot zeven dagen, en op één na kwamen de klachten terug zodra het licht werd gestaakt.
  • 1999–2002 — Ontdekking van melanopsine en de intrinsiek fotogevoelige retinale ganglioncellen (ipRGC’s) door onder meer Ignacio Provencio en David Berson. Deze cellen hebben niets met zien te maken; ze meten omgevingslicht en sturen rechtstreeks de biologische klok in de nucleus suprachiasmaticus aan. Ze zijn het gevoeligst rond 480 nm — blauw.
  • 2018 — De internationale verlichtingscommissie publiceert CIE S 026, de norm die melanopische grootheden meetbaar maakt, waaronder melanopische equivalente daglicht-illuminantie (melanopische EDI). Daarmee kan blootstelling voor het eerst in klokrelevante eenheden worden uitgedrukt in plaats van in lux.
  • 2022 — Brown en collega’s publiceren in PLOS Biology een expertconsensus met concrete drempelwaarden voor lichtblootstelling overdag, in de avond en in de slaapomgeving, gemeten verticaal op ooghoogte.

Dit spoor sluit de cirkel met Finsen, zij het onbedoeld. Finsen gebruikte rood licht om het kortgolvige deel van het spectrum weg te filteren. De moderne chronobiologie doet in de avond precies hetzelfde, om een andere reden: langgolvig licht activeert melanopsine nauwelijks, kortgolvig licht wel.

15. 2014–2016: van LLLT naar fotobiomodulatie

In 2014 kwamen de North American Association for Photobiomodulation Therapy (NAALT) en de World Association for Laser Therapy (WALT) gezamenlijk tot één term: photobiomodulation, fotobiomodulatie. In 2016 werd de term opgenomen in de Medical Subject Headings van de Amerikaanse National Library of Medicine, waarmee het de officiële indexeringsterm voor PubMed werd.

De keuze was inhoudelijk, niet cosmetisch. “Low-level laser therapy” bevatte twee onjuistheden: het effect is niet aan lasers gebonden — LED’s doen hetzelfde — en “low level” is nooit gedefinieerd geweest. Belangrijker nog: “biostimulatie” suggereerde dat meer licht altijd meer effect geeft. Dat klopt niet. Het effect is bifasisch: onder een bepaalde dosis gebeurt er te weinig, boven een bepaalde dosis neemt het effect weer af. Modulatie dekt dat, stimulatie niet.

Die bifasische dosisrespons is misschien wel het belangrijkste inzicht van de laatste decennia, en tegelijk het slechtst overgekomen. Het is de reden waarom betrouwbare dosisopgaven — golflengte, irradiantie in mW/cm², afstand, tijd en resulterende dosis in J/cm² — geen technische bijzaak zijn maar de kern van de zaak.

Tijdlijn in vogelvlucht

  • ca. 1550 v.Chr. — Ebers-papyrus: Ammi majus plus zonlicht tegen witte huidvlekken
  • ca. 1400 v.Chr. — Atharva-Veda: Psoralea corylifolia plus zonlicht
  • ca. 525 v.Chr. — Herodotus koppelt botsterkte aan zonblootstelling
  • ca. 1100 — Ibn al-Bitar beschrijft het Ammi majus-recept opnieuw
  • 1844 — Robert Hunt, Researches on Light
  • 1855 — Arnold Rikli opent zijn licht-luchtkuuroord in Veldes
  • 1876–1878 — Pleasonton, Pancoast en Babbitt: geboorte van de moderne chromotherapie
  • 1877 — Downes en Blunt tonen de bacteriedodende werking van zonlicht aan
  • 1890 — Theobald Palm koppelt rachitis aan gebrek aan zonlicht
  • 1891 — Kellogg bouwt het eerste gloeilichtbad in Battle Creek
  • 1893 — Finsen behandelt pokken in rood licht
  • 1895–1896 — Finsen behandelt lupus vulgaris; oprichting Lichtinstituut Kopenhagen
  • 1900–1903 — Raab en von Tappeiner beschrijven de fotodynamische werking
  • 1902–1903 — Bernhard in St. Moritz, Rollier opent Leysin
  • 1903 — Nobelprijs voor Finsen
  • 1906 — Quarzlampengesellschaft (Heraeus/AEG); de kunstmatige hoogtezon
  • 1910 — Kellogg, Light Therapeutics
  • 1919–1924 — Huldschinsky, Hess & Unger, Steenbock: rachitis, ultraviolet en vitamine D
  • 1920–1947 — Ghadiali’s Spectro-Chrome: opkomst, processen en verbod
  • 1923 — Rollier, Heliotherapy; Saleeby, Sunlight and Health
  • 1940er jaren — Antibiotica verdringen lichttherapie
  • 1948 — El-Mofty publiceert het Ammi majus-recept klinisch
  • 1956–1958 — Zuster Jean Ward, Cremer en Perryman: blauw licht tegen geelzucht
  • 1960 — Maiman bouwt de eerste laser (robijn, 694 nm)
  • 1967 — Mester ontdekt laserbiostimulatie
  • 1974 — Parrish en Fitzpatrick introduceren PUVA
  • 1980–1984 — Lewy over melatonine; Rosenthal beschrijft SAD en lichttherapie
  • Jaren 80–90 — Karu stelt cytochroom-c-oxidase als fotoacceptor voor
  • 1993–2003 — NASA/WCSAR/Quantum Devices/Whelan: LED’s in de geneeskunde
  • 1999–2002 — Melanopsine en de ipRGC’s ontdekt
  • 2014–2016 — “Fotobiomodulatie” wordt de gestandaardiseerde term
  • 2018–2022 — CIE S 026 en de consensusdrempels van Brown et al.

Vijf patronen die zich blijven herhalen

Wie deze tweeduizend jaar achter elkaar legt, ziet vijf dingen steeds terugkomen.

  1. Bijna elke doorbraak was een toeval dat iemand serieus nam. Downes en Blunt hadden het over troebel suikerwater. Zuster Ward reed haar patiëntjes de zon in. Mester zocht kanker en vond haargroei. NASA-onderzoekers merkten dat hun schaafwonden dichtgingen. De ontdekking zat telkens in het opmerken, niet in het zoeken.
  2. De indicatielijst is telkens te lang geworden. Kellogg, Ghadiali en de vroege LLLT-industrie deden alle drie hetzelfde: een reëel effect uitbreiden naar tientallen aandoeningen. Elke keer kostte dat de geloofwaardigheid van het geheel.
  3. Naamgeving is niet triviaal. “Fototherapie”, “actinotherapie”, “chromotherapie”, “biostimulatie”, “cold laser”, “LLLT”, “fotobiomodulatie” — de wildgroei aan termen maakte het veld decennialang onoverzichtelijk. De standaardisatie van 2014–2016 was daarom geen woordenspel maar noodzakelijk onderhoud.
  4. Dosering is altijd de zwakke plek geweest. Rollier had een strak opbouwschema; de kleurentherapeuten hadden niets. De bifasische dosisrespons betekent dat een behandeling die te zwaar wordt gedoseerd geen sterker maar een zwakker resultaat geeft. Zonder betrouwbare opgave van golflengte, irradiantie, afstand en tijd is een lichtbehandeling niet reproduceerbaar — toen niet en nu niet.
  5. Werkzame lichttherapie verdwijnt niet, ze verandert van naam. Finsens ultravioletbehandeling leeft voort in smalband-UVB. Het Egyptische plantenaftreksel werd PUVA. De hoogtezon werd de zonnebank. Mesters robijnlaser werd het LED-paneel. En Rolliers zonneterras is nu een consensusdrempel voor melanopische EDI aan het bureau.

Bronnen

Historische boeken (primaire bronnen)

  • Kellogg, J.H. (1910). Light Therapeutics: A Practical Manual of Phototherapy for the Student and the Practitioner, with Special Reference to the Incandescent Electric-Light Bath. Battle Creek, MI: Good Health Publishing. Volledig gescand: Internet Archive / Yale Cushing-Whitney Medical Library
  • Finsen, N.R. (1901). Phototherapy. Vertaald door James H. Sequeira. Londen: Edward Arnold.
  • Pleasonton, A.J. (1876). The Influence of the Blue Ray of the Sunlight and of the Blue Colour of the Sky. Philadelphia.
  • Pancoast, S. (1877). Blue and Red Light; or, Light and Its Rays as Medicine. Philadelphia: J.M. Stoddart.
  • Babbitt, E.D. (1878). The Principles of Light and Color. East Orange, NJ. Zie ook de beeldbespreking bij The Public Domain Review
  • Hunt, R. (1844). Researches on Light. Londen: Longman.
  • Cleaves, M.A. (1904). Light Energy: Its Physics, Physiological Action and Therapeutic Applications. New York: Rebman.
  • Freund, L. (1903). Grundriss der gesammten Radiotherapie für praktische Ärzte. Wenen: Urban & Schwarzenberg.
  • Rollier, A. (1923). Heliotherapy. Londen: Oxford University Press.
  • Saleeby, C.W. (1923). Sunlight and Health. Londen: Nisbet & Co.
  • Huldschinsky, K. (1928). The Ultra-Violet Light Treatment of Rickets. New Jersey: Alpine Press.
  • Ghadiali, D.P. (1933). Spectro-Chrome Metry Encyclopedia. Malaga, NJ: Spectro-Chrome Institute.
  • Dinshah, D. Let There Be Light. Malaga, NJ: Dinshah Health Society.
  • Beckett, R.H. (1955). Modern Actinotherapy. Londen.

Moderne historische studies

  • Woloshyn, T.A. (2017). Soaking Up the Rays: Light Therapy and Visual Culture in Britain, c. 1890–1940. Manchester University Press. Open access via NCBI Bookshelf
  • Carter, S. (2007). Rise and Shine: Sunlight, Technology and Health. Oxford: Berg.
  • Hobday, R. (1999). The Healing Sun: Sunlight and Health in the 21st Century. Findhorn Press.
  • Hobday, R. (2006). The Light Revolution: Health, Architecture and the Sun. Findhorn Press.
  • Ingold, N. (2015). Lichtduschen: Geschichte einer Gesundheitstechnik, 1890–1975. Zürich: Chronos.
  • Hobday, R. (1997). Sunlight therapy and solar architecture. Medical History, 41(4), 455–472.
  • Rachlin, S.M. & Rachlin, H. (2018). Color War: Dinshah P. Ghadiali’s Battle with the Medical Establishment. Amsterdam Publishers.
  • Hamblin, M.R. et al. (red.). Handbook of Photomedicine. CRC Press.

Wetenschappelijke artikelen en overzichten

  • Downes, A. & Blunt, T.P. (1877). Researches on the effect of light upon bacteria and other organisms. Proceedings of the Royal Society of London, 26, 488–500.
  • Hönigsmann, H. (2013). History of phototherapy in dermatology. Photochemical & Photobiological Sciences, 12(1), 16–21.
  • Roelandts, R. (2002). The history of phototherapy: something new under the sun? Journal of the American Academy of Dermatology, 46(6), 926–930.
  • Grzybowski, A. & Pietrzak, K. (2012). From patient to discoverer — Niels Ryberg Finsen (1860–1904), the founder of phototherapy in dermatology. Clinics in Dermatology, 30(4), 451–455.
  • Huldschinsky, K. (1919). Heilung von Rachitis durch künstliche Höhensonne. Deutsche Medizinische Wochenschrift, 45, 712–713.
  • Hess, A.F. & Unger, L.J. (1921). The cure of infantile rickets by sunlight. JAMA, 77, 39–41. Context: Journal of Clinical Investigation — Resurrection of vitamin D deficiency and rickets
  • Cremer, R.J., Perryman, P.W. & Richards, D.H. (1958). Influence of light on the hyperbilirubinaemia of infants. The Lancet, 1, 1094–1097.
  • Maisels, M.J. & McDonagh, A.F. (2015). Sister Jean Ward, phototherapy, and jaundice: a unique human and photochemical interaction. Journal of Perinatology, 35, 671–672.
  • Mester, E., Szende, B. & Tota, J.G. (1967). Effect of laser on hair growth of mice. Kísérletes Orvostudomány, 19, 628–631.
  • Karu, T. (1989). Photobiology of low-power laser effects. Health Physics, 56(5), 691–704.
  • Anders, J.J., Lanzafame, R.J. & Arany, P.R. (2015). Low-level light/laser therapy versus photobiomodulation therapy. Photomedicine and Laser Surgery, 33(4), 183–184. PMID 25706882.
  • Lewy, A.J. et al. (1980). Light suppresses melatonin secretion in humans. Science, 210, 1267–1269.
  • Rosenthal, N.E. et al. (1984). Seasonal affective disorder: a description of the syndrome and preliminary findings with light therapy. Archives of General Psychiatry, 41(1), 72–80.
  • Brown, T.M. et al. (2022). Recommendations for daytime, evening and night-time indoor light exposure. PLOS Biology, 20(3), e3001571.
  • CIE S 026/E:2018. System for Metrology of Optical Radiation for ipRGC-Influenced Responses to Light. Internationale Commissie voor Verlichtingskunde.

Instituten, archieven en encyclopedieën

Wikipedia-artikelen

Dit artikel is historisch en beschrijvend van aard. Het beschrijft wat er in het verleden is onderzocht, geclaimd en toegepast, en is geen medisch advies of behandelclaim. Historische claims uit bronnen van vóór de twintigste eeuw worden hier weergegeven als onderdeel van de geschiedenis, niet als geldende wetenschap.

Gratis verzenden

Binnen Nederland

30 dagen Retour

30 dagen geld terug garantie

Europese Garantie

Minstens 2 jaar Carry-in

100% Veilig Betalen

iDeal / MasterCard / Visa

Cookie voorkeuren

Andere

Andere niet-gecategoriseerde cookies zijn cookies die worden geanalyseerd maar nog niet in een categorie zijn ondergebracht.

Noodzakelijk

Noodzakelijk
Necessary cookies are absolutely essential for the website to function properly. These cookies ensure basic functionalities and security features of the website, anonymously.

Advertering

Advertentie cookies worden gebruikt om bezoekers relevante advertenties en marketingcampagnes te tonen. Deze cookies volgen bezoekers op verschillende sites en verzamelen informatie om gepersonaliseerde advertenties te tonen.

Analyse

Analytical cookies are used to understand how visitors interact with the website. These cookies help provide information on metrics the number of visitors, bounce rate, traffic source, etc.

Functioneel

Functional cookies help to perform certain functionalities like sharing the content of the website on social media platforms, collect feedbacks, and other third-party features.

Prestatie

Prestatiecookies worden gebruikt om de sleutelprestatie-indexen van de site te begrijpen en te analyseren, wat helpt om bezoekers een betere gebruikerservaring te bieden.